Dag 89: 1767.2 -> 1796.0
28 juli 2018 - Crater Lake, Verenigde Staten
Dag 89: 1767.2 -> 1796.0
Vanochtend, na de dagelijkse druk, nog enigszins slaapdronken, wist ik ineens niet meer vanuit welke richting ik was gekomen toen ik een veilig plekje in het bos had opgezocht. Ineens werd het me pijnlijk duidelijk hoe afhankelijk ik was van de constante lijn die ik al drie maanden volg. Zonder telefoon en dus zonder navigatiesysteem had ik geen betrouwbare mogelijkheid om mijn weg terug te vinden. Ik verdomde mezelf dat ik was vergeten waar mijn tent was. Goed, niets aan te doen. Roeien met de riemen die ik had. Ik keek in de rondte: geen riemen, alleen takken en stenen. Prima.
Ik pakte een van de stenen en bekeek hem aandachtig. Een gladde ronde kiezel. Wit gesteente met hier en daar een grijze veeg. Ik hield mijn palm gestrekt voor me uit met de kiezel in het midden. Met een krachtige beweging bracht ik mijn arm omhoog en de kiezel schoot omhoog naar de hemel. Met mijn ogen dicht, hopend dat het projectiel niet op mijn hoofd terecht zou komen, wachtte ik op de doffe klap van het neerkomend gesteente dientegevolgen. “Pof” - Het steentje was rechtsachter me neergekomen. Het lot had mijn beslissing voor me bepaald. Niet langer was het mijn verantwoordlijkheid om te beslissen welke kant ik op zou gaan, op zoek naar mijn tent. De kiezel was duidelijk genoeg geweest! Dwars door struikgewassen, groepen dennebomen en over omgevallen boomstronken dook ik verder het bos in. 60 seconden later keek ik om me heen en was mijn tent nog steeds nergens te bekennen. Hmmmm, raar. De kiezel was duidelijk geweest in zijn alwetendheid. Een tweede keer vroeg ik de kiezel om raad:
‘Pof’ landde de kiezel direct achter me.
“MAAR DAAR KOM IK NET VANDAAN, JIJ GEOLOGISCHE MISLUKKING DER NATUUR.” Dacht ik nog.
The Pebble works in mysterious ways.
Ditmaal beunde ik me 120 seconden door groen en bruin. Nog steeds niets. Ik was ten einde raad. Onwetendheid was mijn kruis, vergeetachtigheid de nagels die me verlamd lieten. Het grijntje zekerheid en mentale welgesteldheid dat ik nog had, sijpelde uit me. Ik had nog één troef. Één laatste redding. Speedy en CB hadden gisteren samen met mij gekampeerd en misschien waren ze nog niet vertrokken. Ik riep zo hard als ik kon: “SPEEEEEEEEEEEEEDYYYYYYYYYYY...” (...) “CEEEEEEEEEBEEEEEEEEE”
“Jesus, Sisy, shut the fuck up. I’m tryna get a couple more minutes here.” Klonk het zo’n 30 meter rechts van me.
Redding was gekomen... Verlossing was nabij...
Na een ruwe start vanochtend werd het er later vandaag niet veel beter op. Het kostte me veel moeite om mezelf te motiveren voor het hiken. Sommige dagen zijn zo. Normaal lost men dat op door een pot koffie te zetten en de rest van de dag voor zich uit te staren, hopend dat de wolken van onverschilligheid en apathie zich weer snel onttrekken aan het zicht. Geen koffiepot hier. Alleen een paar zakjes met wegwerpkoffie, Vulgair (Folgers).
Nadat de brandende zon en mijn anus weer hun dagelijks pact hadden gesloten, kostte het me zoveel moeite om te lopen dat de herinnering aan mijn verloren potje vaseline mij tot bittere tranen bracht.
Aangezien het een zware dag was trakteerde ik mezelf door eerder te stoppen dan ik mezelf normaal toeliet. Rond 17:30 zette ik kamp op bij een klein meertje dat eerder deed denken aan een grote vijver. Een immense boom was omgevallen en vormde een brug van de oever van de vijver naar het midden. Met mijn vieze kleren in mijn handen balanceerde ik op het drijfhout. Terwijl ik in het midden van de vijver op de omgevallen boom mijn kleren aan het schoonmaken was - ik laat het aan de lezer over om een oordeel te vellen over hoe ‘schoon’ kleren daadwerkelijk kunnen worden door ze te wassen in een vijver - keek ik om mij heen en verbaasde me over mooi de omgeving was vanaf het perspectief van het meer. Duizenden bootsmannetjes in het water, en tientallen libellen in de lucht, dansden in sierlijke vorm om elkaar heen. De waterinsecten bedreven de wals terwijl het spel van de libellen meer iets weg had van de tango of de salsa.
Een van de libellen leek geïnteresseerd in de kale chimpansee in het midden van het meer en maakte meerdere rondjes om hem heen. Deftig circelde de libel om de chimpansee. Dichtbij genoeg om een uitgebreide inspectie te plegen maar met genoeg afstand zodat de aap, mocht hij de intentie hebben gehad, de libel nooit had kunnen grijpen. Hoewel de libel zich behoedzaam opsteld, had hij het idee dat het een vredelievende aap betrof. Hij toonde geen aggresief gedrag. Hij leek vooral bezig te zijn om het stof van zijn dagelijkse tocht uit de lappen stof te wassen die individuen van dit soort gebruikte om hun kaalheid te verbergen. De aap had niets van de sierlijkheid en de charme van de andere dieren. Hij had zeer klunzig geleken toen hij over de boomstam naar het midden van het meer was gelopen. Veel minder behendig dan zijn behaarde broeders en zusters. Toch was de klunzige manier waarop hij zich over de boomstam had voortbewogen niet alleen te danken aan zijn onhandigheid. Hij leek ook pijn te hebben aan zijn voeten. Met krachtige bewegingen van zijn opposerende duimen, die de libel in geen enkel ander dier kon ontwaren, kneedde dit dier in de zool van zijn voeten. Wat een gek beest, dacht de libel.
